Week 1 Kernzinnen

Wat is een kernzin? 

De kernzin is de belangrijkste zin van een alinea. Kernzinnen vind je meestal aan het begin (eerste of tweede zin) of aan het einde van een alinea. 

Voorbeelden plaats kernzin in de alinea

Hieronder zie je twee alinea’s met een antwoord op een verzoek van een klant. Zij wil weten of de aangeboden locatie geschikt is voor een bijeenkomst. De kernzinnen zijn vetgedrukt.

De kernzin staat in de tweede zin

De vier zalen die wij hebben, kunnen door flexibele wanden geschikt gemaakt worden voor groepen van elke grootte. Onze zalen zijn zeer geschikt voor de bijeenkomsten die u wilt houden. Alle apparatuur voor het houden van presentaties is aanwezig.

De kernzin staat in de eerste zin

Onze zalen zijn zeer geschikt voor de bijeenkomsten die u wilt houden. De vier zalen die wij hebben, kunnen door flexibele wanden geschikt gemaakt worden voor groepen van elke grootte. Alle apparatuur voor het houden van presentaties is aanwezig.

Soms staat de kernzin vooraan en de lezer krijgt meteen antwoord op haar vraag. De kernzin kan ook de laatste zin van een alinea zijn. De alinea begint dan met een paar inleidende zinnen die stap voor stap toewerken naar de boodschap in de kernzin (spanning opbouwen of nieuwsgierig maken).

Voorbeeld kernzin achteraan

Op 20 december jl. heb ik een laptop bij u besteld. Dat is nu vijf maanden geleden en ik heb nog niets ontvangen. Ook reageert u niet op mijn telefoontjes en e-mails. Daarom annuleer ik mijn bestelling.

Week 2 Signaalwoorden en tekstverbanden

Uit: https://referentiemateriaalvo.noordhoff.nl/

In een goede tekst hangen woorden, zinnen en alinea’s met elkaar samen. Die samenhang heet het verband in de tekst. Door te letten op verbanden in de tekst kun je de tekst beter begrijpen en bestuderen. Je kunt verbanden vaak herkennen aan signaalwoorden.

Er bestaan verschillende tekstverbanden (zin of alinea):

  • In het geval van een chronologisch verband worden de gebeurtenissen in de juiste tijdsvolgorde beschreven. Jaartallen zijn vaak een aanwijzing voor een chronologisch verband. Verder herken je dit verband aan de signaalwoorden: vroeger, later, nu, eerst, daarna, vervolgens, nadat, terwijl, dadelijk, intussen. 

Voorbeeld: Eerst zet je saldo op je ov-chipkaart, daarna activeer je je kaart en vervolgens kun je inchecken.

  • Van een opsommend verband is sprake als dingen achter elkaar worden opgenoemd. Je herkent dit verband aan de signaalwoorden: ten eerste, ten tweede, om te beginnen, ook (nog), bovendien, verder, ten slotte, en, niet alleen … (maar) ook. Een opsomming wordt ook vaak aangegeven met liggende streepjes (-), getallen (1, 2, 3) of met ‘dots’ (•).
  • In het geval van een tegenstellend verband worden in een tekst tegenovergestelde dingen genoemd. Je herkent dit verband aan de signaalwoorden: tegenover, daarentegen, maar, hoewel, echter, toch, ofschoon, ondanks dat, aan de ene kant … aan de andere kant. 

Voorbeeld: Het zou vandaag mooi weer worden, maar het regent pijpenstelen.

  • Bij een toelichtend verband wordt extra informatie gegeven bij een onderwerp, vaak in de vorm van een voorbeeld. Je herkent dit verband aan de signaalwoorden: bijvoorbeeld, zo, zoals, denk aan, neem nou. 

Voorbeeld: Marco is een natuurtalent in balsporten zoals voetbal, tennis en golf.

  • Van een voorwaardelijk verband is sprake als wordt aangegeven onder welke voorwaarden iets gebeurt. Je herkent dit verband aan de signaalwoorden: als (… dan), indien, tenzij, wanneer. 

Voorbeeld: Als ik mijn huiswerk af heb, (dan) mag ik mee naar de film.

  • Bij een redengevend verband wordt aangegeven waarom iemand iets doet of vindt. Je herkent dit verband aan de signaalwoorden: omdat, daarom, dus, want, de reden hiervoor is. 

Voorbeeld: Omdat het glad is (reden), loop ik heel voorzichtig naar school (besluit).

  • Let op! Het oorzakelijk verband lijkt op het redengevend verband. Het verschil is dat je bij een reden zelf een besluit neemt om iets wel of niet te doen. Bij een oorzaak gebeurt iets buiten jouw wil. Je herkent dit verband aan de signaalwoorden: doordat, daardoor, als gevolg van, dat komt door, het gevolg is, dus, dankzij. 

Voorbeeld: Doordat het glad is (oorzaak), gaan veel fietsers onderuit (gevolg).

  • Bij een concluderend verband wordt uit een aantal uitspraken eerder in de tekst een conclusie getrokken. Je herkent dit verband aan de signaalwoorden: dus, daarom, dat houdt in, kortom, concluderend. 

Voorbeeld: Pieter heeft de hele dag hard gewerkt en daarna nog een zware tennispartij gespeeld. Hij zal dus wel moe zijn.

Week 3 Soorten teksten: betoog, beschouwing en uiteenzetting

Betoog: In een betoog staat altijd duidelijk de mening van de schrijver. De schrijver wil jou als lezer namelijk overtuigen van die mening. Je zal in een betoog dan ook regelmatig het woord ‘ik’ zien staan (‘ik vind’, ‘ik ben van mening dat…’). In een betoog staan ook vaak argumenten waarmee de schrijver zijn of haar mening onderbouwt.

Beschouwing: In een beschouwing kunnen ook meningen voorkomen, maar de schrijver laat zijn of haar eigen mening niet doorschemeren. Bij een beschouwing is het namelijk de bedoeling dat jij als lezer je eigen mening objectief kan bepalen. De schrijver kan wel voor- en nadelen of meningen van anderen geven. Allebei de kanten van een zaak worden dus toegelicht en het is aan jou als lezer om te bepalen hoe jij erover denkt.

Uiteenzetting: In een uiteenzetting komt zelden het woord ‘ik’ voor. De schrijver wil de lezer namelijk alleen maar informeren. In wat minder professionele teksten vind je wellicht iets zoals ‘ik zal jullie nu vertellen…’, maar in je studieboek of in een nieuwsbericht zal dit niet het geval zijn. Een uiteenzetting is slechts gebaseerd op feiten; meningen komen niet voor.

Week 4 Tekstdoel

Wat is het tekstdoel?

Een schrijver schrijft nooit zomaar een tekst; hij of zij heeft een bepaald doel voor ogen. Het schrijfdoel is wat de schrijver wil bereiken met de tekst. Het doel van een nieuwsbericht zal zijn om de lezer te informeren over een bepaalde situatie, terwijl het doel van een reclametekst is om de lezer te activeren. De schrijver wil dan bijvoorbeeld dat de lezer een product koopt. Je kunt je vast voorstellen dat een schrijver soms meerdere doelen wil bereiken met een tekst. Denk maar eens aan de teksten van bijvoorbeeld Arjen Lubach: hij wil niet alleen amuseren, maar ook informeren, overtuigen en soms zelfs activeren. Toch is vrijwel altijd het belangrijkste doel van een tekst te herkennen.

We kunnen de volgende schrijfdoelen onderscheiden:

  • Informeren zoals nieuwsbericht, handleiding, studieboek, uiteenzetting
  • Activeren (de lezer iets laten doen) zoals Advertentie, folder, reclame, verkiezingsaffiche
  • Overtuigen zoals Betoog, ingezonden brief, debattekst
  • Beschouwen zoals Recensie, beschouwing, discussiestuk
  • Amuseren zoals Strip, gedicht, mop, cabarettekst, toneelstuk

Week 5 Aanpak voor het lezen van een tekst

  1. Bepaal je leesdoel.
  1. Kies bij je leesdoel de juiste leesstrategie.
  1. Bepaal het schrijfdoel dat de auteur heeft willen bereiken en de tekstsoort. Schrijfdoelen: amuseren, informeren, overtuigen, activeren. Tekstsoorten: betoog, uiteenzetting, beschouwing
  1. Bepaal het publiek waarop de auteur zijn tekst heeft willen afstemmen. Let op publicatieplaats, inhoud, taalgebruik, toon, vormgeving.
  1. Bepaal de opbouw van de tekst: welke alinea’s vormen de inleiding, middenstuk en slot.
  1. Bepaal wat de inhoud is: welke informatie waar aan de orde komt.

Week 6 Leesstrategieën, een globale uiteenzetting

Oriënterend lezen

Leesdoel:

Snel vaststellen of een tekst bruikbaar of interessant is, onderwerp en publiek vaststellen.

Aanpak: bekijk bij een tekst naar de 

  • titel
  • eerste alinea
  • tussenkoppen
  • laatste alinea
  • auteur
  • publicatieplaats

Globaal lezen

Leesdoel:

De hoofdzaken van de tekst vinden. 

Aanpak:

Lees de voorkeursplaatsen.

  • eerste alinea’s
  • laatste alinea’s
  • eerste en laatste zin van tussenliggende alinea’s

Intensief lezen

Leesdoel:

De tekst helemaal goed begrijpen

Aanpak: 

  • Lees de tekst helemaal door.
  • Stel de betekenis van moeilijke woorden vast.
  • Inleiding: bepaal het onderwerp.
  • Middelstuk: zoek naar kernzinnen van alinea’s en naar signaalwoorden die verbanden aangeven.
  • Stel de deelonderwerpen vast: let op tussenkoppen en witregels.
  • Slot: bepaal de hoofdgedachte.  

Kritisch lezen

Leesdoel:

De betrouwbaarheid van de informatie in een tekst beoordelen.

Aanpak: stel de volgende punten vast:

  • Is de informatie juist, volledig en niet eenzijdig?
  • Is de auteur deskundig en onpartijdig?
  • Zijn de bronnen van de auteur recent of verouderd;
  • Zijn ze betrouwbaar?
  • Zijn de argumenten van de auteur sterk of zwak? 

Studerend lezen

Leesdoel:

De inhoud van een tekst onthouden.

Aanpak:

  • Lees de tekst oriënterend (onderwerp) en intensief. (deelonderwerpen en eventueel hoofdgedachte).
  • Maak toetsvragen. 
  • Maak een leerschema.
  • Probeer of je bedachte vragen kunt beantwoorden.
  • Lees je leerschema enkele malen door.